Een praktische illustratie van de vecht/vluchtrespons geeft huisarts Oosterhuis met zijn visie op stressklachten in nek, rug en buik. Het promoveerde op een proefschrift over niet-medische oorzaken van nek-, rug- en buikpijn. Op basis van praktijkonderzoek constateerde hij het volgende
Pijn in nek- of schouderzone: “boosheid zonder aanval”
Patiënten met klachten in nek/schoudergebied zitten vaak in concreet bedreigende of woede opwekkende situaties waarin zij boos of geïrriteerd zijn. Verzet is in principe wel uitvoerbaar en de patiënt ondervindt wel strijdlust en neiging tot aanvallen, maar onderdrukt deze gevoelens en reacties op basis van eigen normen. Hij houdt zijn woede in door zijn spieren in het nek/schouder gebied aan te spannen. Als de situatie niet verandert en hij (of zij) het ongenoegen niet uit, is de kans groot dat er nek- en/of schouderpijn ontstaat.
Pijn in de lage rug of lager: “onmacht of verdriet”
Deze patiënten zitten vaak in situaties waarin zij zich onmachtig voelen. Zij voelen een neiging tot vluchten, maar onderdrukken dat en onderwerpen zich aan de situatie. Ze vermijden en berusten ogenschijnlijk. Ze voelen zich verdrietig en teleurgesteld maar verbergen deze gevoelens. Verandert de situatie niet en worden ze niet gesteund ontstaat de neiging het lage rug gebied hol te trekken en kunnen rugklachten ontstaan.
Pijn in buik of ingewanden: “angst en onzekerheid”
Patiënten met buikklachten zitten vaak in bedreigende situaties waarin ze eigenlijk zouden moeten reageren. Dit gevoel wordt onderdrukt doordat ze zich onveilig en onzeker voelen. Hierdoor ontstaan buikklachten. Buikklachten zijn vaak “ja-nee klachten”
Kenmerk van deze spanningen en pijnen is de dubbele sturing: het lichaam produceert zowel de aanzet tot actie als de blokkering ervan zodat de reactie blijft steken. Oosterhuis illustreert zijn bevindingen met dieronderzoek, waarbij de aanval (de agressie) in de voorkant van het dier is gesitueerd. Bij de mens schouders en nek. De vlucht (schuld, schaamte en teleurstelling) manifesteert zich meer in de achterkant van het dier. Bij de mensen meer de bekkenzone en het lage ruggebied.
Ook constateert Oosterhuis dat metafoor taalgebruik voor gevoelsaandoeningen, zoals halsstarrigheid, stijfkoppigheid, lamlendigheid en ruggengraat hebben, wereldwijd in alle culturen steeds naar dezelfde lichaamsgebieden verwijst.
Oosterhuis concludeert dat nek-, rug- en buikpijn waarvoor geen medische oorzaak wordt gevonden, psychosomatische klachten zijn en dat verder medisch onderzoek niet zal lonen. Hij pleit op basis van dit onderzoek uit 1982 voor een meer gedragsmatige aanpak van deze klachten.
Stress in een noodzakelijke levensvoorwaarde. Het vermogen te kunnen reageren op prikkels (stressfactoren) houdt ons in leven (en bij de les) en stelt ons in staat te presteren.
